De Ronde (2015) benadert in zijn proefschrift het ervaringsleren in combinatie met verschillende vormen van spel. Een spelervaring, zo schrijft hij (2015: 114) is per definitie altijd een communicatieve ervaringswerkelijkheid. De Ronde verkent hoe de ervaring van het spel, het geboeid raken tijdens het spelen zelf, voorwerp van onderzoek kan worden. Hij haalt daarbij Stern (2004) aan, om de notie ‘intersubjectief veld’ te introduceren. De ruimte waarin ‘ik voel dat jij voelt, wat ik voel’. “Het is Polanyi (1966/2009) geweest die, onder andere op basis van zijn observaties van het complexe karakter van menselijke interacties zoals het aanvoelen van gemoedsstemmingen en het herkennen van gezichtsuitdrukkingen tot de conclusie kwam dat al onze kennis geworteld is in lichamelijke ervaringen: ‘Our body is the ultimate instrument of all our knowledge' " (De Ronde, 2015: 115).

Bos (2015: 471) schrijft over de focus op het gewaarzijn als centrale notie binnen de Gestalbenadering: Gewaarzijn is in de gestalttheorie meer dan bewustzijn: “het is een samenspel van onze fysieke, emotionele, rationele en energetische/relationele huishouding”. Het werken met het gewaarzijn geeft zicht op de wisselwerking tussen een persoon en zijn/haar omgeving, aldus Bos. “Waar stroomt en waar stokt de wisselwerking? In de gestalttheorie benoemen we dit als: het ervaren van de contactgrens van organisme en veld” (2015: 470), waarbij veld staat voor het grotere geheel waar het organisme cocreërend onderdeel van is en zich toe verhoudt. Lichamelijk gewaarzijn is tweeledig: het gaat zowel om de waarneming van signalen die via de zintuigen van buitenaf geïmporteerd worden in het lichaam als om signalen, sensaties, die zich in het lichaam voordoen. Mensen die hun eigen lichaam noodgedwongen (door functionele diversiteit) goed hebben leren kennen, kunnen daarin een enorme lerende inspiratiebron zijn. Weisser Cornell (1996) beschrijft het lichaamsgerichte proces van jezelf gewaarworden als een proces van luisteren naar je lijf op een zachtaardige, accepterende manier. Door bij die lichamelijke waarnemingen stil te staan, kan je lichaam je je nieuwe informatie geven.

In het Engels wordt de term ‘body awareness’ gebruikt. Rothschild (2000: 101) beschrijft kernachtig wat zij daaronder verstaat:

“Body awareness implies the precise, subjective consciousness of body sensations arising from stimuli that originate both inside and outside the body.”

Ze legt uit dat lichamelijk gewaarzijn verband houdt met het oppikken van signalen door de zintuigen. Die signalen bevinden zich buiten het lichaam. Ook van binnenuit, van binnen in het lichaam, steken waar te nemen signalen de kop op. Ook die signalen zijn onderdeel van lichamelijk gewaarzijn. Denk bijvoorbeeld aan spierspanning en ingewanden, schrijft Rothschild. Ze benadrukt dat lichamelijke gewaarwording niet hetzelfde is als emotie. Echter, als je leert om (meer) in contact te staan met je lijf, is dat een goede basis om signalen op te pakken en daar vervolgens emoties aan te koppelen. Het voelen van je lijf is een activiteit die altijd in het hier-en-nu plaatsvindt (2000: 107). Ook al hoort de sensatie bij een herinnering uit het verleden, het voelen en ervaren ervan vindt plaats in het hier-en-nu. Door het lichaam als informatiebron in te zetten, kan het functioneren als ijkpunt, als rem, maar ook als ‘dagboek’ (2000: 109-118).

Fotograaf Wallrafen maakt dit concreet in de beschrijving van zijn levensverhaal in het boek ‘De blinde fotograaf’ (2018). Op 53-jarige leeftijd werd Wallrafen in een paar dagen vrijwel volledig blind. “In de loop van de tijd is beeld almaar belangrijker geworden. In de huidige tijd is het oog allesoverheersend. Aan deze culturele verandering neem ik niet deel. Ik zie bovendien niet hoe mijn eigen stad verandert, hoe nieuwe gebouwen oude plekken innemen. (…) Voor ik blind werd, was ook ik nadrukkelijk - meer nog dan anderen omdat ik fotograaf was - gericht op het zien. Mijn andere zintuigen waren voor mij bijzaak, en vaak ook dienstbaar aan het oog. Nu leef ik bij de gratie van de andere zintuigen”.

De mens is een verhalend wezen (Banning & Banning-Mul, 2005). Een individu bewoont diverse bestaanslagen en heeft eigen waarderende oordelen waarin hij ontdekt wie hij is. Onze identiteit, zeggen Banning en Banning-Mul, is van dialogische aard. Ons zelfbeeld komt tot stand door onze ontmoetingen met anderen. Als het lichaam als subject naar voren komt, en daarmee betekenis heeft als ‘de ander’, dan zou je kunnen zeggen dat met een lichaam dat verandert, ook de dialogische aard van de eigen identiteit verandert. Buber (…) spreekt over de tussenruimte, over ‘das Zwischen’ als erkenningsgrond tussen het ‘ik’ en het ‘jij’. Ik zou daaraan toe willen voegen dat in de tussenruimte ook de erkenning van het verschil tussen zichzelf en de ander, tussen zichzelf en de functionele beperking, tussen zichzelf en het (veranderende) lichaam, bestaat.

De moeder in het filmfragment nam met al haar zintuigen waar wat zich aan haar voordeed. Ze luisterde niet alleen, maar keek ook naar de expressie van haar zoon. Ze richtte zich zowel op zíjn lichamelijke sensaties als op die van haarzelf. Ze was zich ervan bewust dat de lichamelijk attitude en de motoriek van haar zoon mede bepalend waren voor zijn verhouding tot de wereld. Vanuit die basishouding wil ik supervisie geven en coachen. Voorbij de woorden.

Lianne Nap

In the Mirror